Uitzondering bovengronds aanwenden van runderdrijfmest
In mijn brief van 16 september jl.[1] heb ik uw Kamer geïnformeerd over de internetconsultatie van een besluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en de Omgevingsregeling waarmee het bovengronds aanwenden van runderdrijfmest onder voorwaarden wordt toegestaan. Ook heb ik in die brief aangegeven dat ik eerst het definitieve rapport afwacht van het praktijkonderzoek naar de milieueffecten van het bovengronds aanwenden van runderdrijfmest. Op basis van de uitkomsten van dat rapport zal ik een besluit nemen over de voortzetting van de mogelijkheid voor bovengronds uitrijden onder het stelsel van de Omgevingswet. De oplevering van het rapport heeft helaas vertraging opgelopen, waardoor het niet nog dit jaar, maar pas begin volgend jaar definitief zal worden opgeleverd. Om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, wil ik eerst dat rapport afwachten.
Het besluit waarmee het bovengronds aanwenden van runderdrijfmest kan worden toegestaan, zal moeten worden voorgehangen bij uw Kamer en de Eerste Kamer (artikel 23.5 Omgevingswet). Ook zal het voor advies aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat er voor de start van het mestseizoen (16 februari) wellicht geen duidelijkheid zal zijn over voortzetting van de uitzonderingsmogelijkheid voor bovengronds uitrijden. Tot het moment van besluitvorming na oplevering van het rapport, wordt bovengronds aanwenden van runderdrijfmest in 2026 voortgezet (gedoogsituatie) onder dezelfde voorwaarden en voorschriften als in 2025.
[1] Kamerstukken II, 2024-2025, 33037, nr. 610.
